zondag 27 maart 2016

Boekverslag: Ik kom terug - Adriaan van Dis

Samenvatting


De verteller (ongeveer 65 jaar) woont in Parijs en heeft slechts weinig contact met zijn moeder die sinds haar 86e jaar in een rusthuis zit. Ze vraagt hem als ze al dik in de negentig is of hij voor haar een zelfmoordpil kan regelen, want ze wil niet helemaal aftakelen. In ruil daarvoor biedt ze hem aan haar verleden te onthullen, wat ze tot nu toe aardig verborgen heeft kunnen houden.
Van Dis woont in Parijs en komt over om met haar naar het dorp van haar jeugd in Brabant te gaan. Daar is ze afkomstig uit het rijke boerenleven en ze brengt herinneringen naar boven uit de tijd van WOI toen Belgische vluchtelingen onderdak in het dorp kregen. Hij beseft dat hij talloze keren het dorp onderweg naar Parijs heeft gepasseerd. Later wordt hij in de buurt uitgenodigd voor een lezing met voornamelijk plattelandsvrouwen, waarbij hij veel Van Dissen ontmoet. Zelf wordt hij door de familie beschouwd als een bastaardkind. Zijn vader was de tweede partner van zijn moeder Marie.  Kenmerk in de familie en van moeder Marie is dat er heel wat afgelogen is en dat er heel wat taboes zijn. Moeder begint steeds meer dingen uit het verleden op te rakelen en lijkt meer in het verleden te gaan leven. Soms ontroert het de verteller, soms raakt hij geïrriteerd.

Marie zegt dat haar karma is dat ze steeds (eventueel in vorige levens) de vrouw naast de soldaat is geweest, want Just, van afkomst een bruine Nederlander zat in het leger. Toen ze naar Nederlands-Indië verhuisden, moest hij meestal op patrouille en moest ze zich maar zien te redden. Ze was vaak de enige vrouw in een gezelschap van heel veel mannen en ze moest zich heftig verweren. Daarna was de toestand erger geworden in het Jappenkamp waarover ze vooralsnog weinig kwijt wil.

In het verhaalheden vraagt ze steeds om de pil die Van Dis haar moet geven. Ze klaagt dat ze lichamelijk achteruit gaat: een vleesboom heeft die ze niet meer kan verhullen. Dan komt het verhaal dat ze een ongeluk met een auto heeft gekregen in Indië en dat er daarna geen kinderen meer mochten komen. Van Dis heeft drie halfzussen, van wie er nog maar één leeft: Saskia die In Italië woont. Moeder gelooft in allerlei oosterse godsdiensten en zweert bij het Tibetaanse dodenboek. Ze gelooft er volop in en hilarisch is de herinnering van de verteller aan een bezoek in Londen aan een swami die duidelijk de boel bedondert.

Andere herinneringen zijn het bezoek aan oude religieuze tantes die het over de erfenis hebben. Want Adriaan is een bastaardkind en mag die nu wel mee-erven. Ook over de chocolaatjes die de moeder alleen al van een bepaalde winkel wil hebben. Hij koopt ze nog steeds voor haar.
Af en toe reageert ze heel venijnig en krijgt Adriaan er flink de pest over in. Toch is ze hard voor haar zelf. Dan wil ze weer ineens stoppen met eten en weigert ze al het voedsel van het rusthuis.
Dan besluit Adriaan die intussen al van Parijs naar de Achterhoek is verhuisd een gastenkamer in het rusthuis te nemen.
Ze vertelt verder over een Duitse zendingsarts Carl met wie ze een overspelige relatie heeft gehad, maar die het niet overleefd had. Ze had een graf voor hem gekocht, vlak bij het graf van haar eerste man Just die onthoofd werd door de inlandse rebellen. Ze was daarna verliefd geworden op een tweede Just, de biologische vader van Adriaan, die echter een slechte relatie met zijn zoon had en hem veel sloeg. Ze waren teruggegaan naar Nederland waar ze eerst in een doorgangshuis voor repatrianten moesten wonen, totdat een erfenis van een van de religieuze tantes loskwam. Toen konden ze naar een ruim huis vertrekken.

Halfzus Saskia is inmiddels gealarmeerd en komt uit Italië over om haar moeder te verzorgen. Ook met haar is er geen innige band. Adriaan trekt zich even terug in De Achterhoek. Dan wil Saskia het stervensproces versnellen door een aardbeiendieet toe te passen.
Maria laat Adriaan een brief lezen van Carl die vertelt over de slechte situatie die Adriaans vader bij het werken aan de Birmaspoorlijn heeft moeten doorstaan. Misschien begrijpt de zoon  dan de grillen van zijn vader beter.
Adriaan krijgt een uitnodiging voor het literaire festival in Parijs en neemt afscheid van zijn moeder. Hij zal haar niet meer levend terugzien, want Saskia laat een arts morfine toedienen en ineens is moeder dood. Adriaan vertrekt meteen want naar Nederland, maar de kist is al dicht.
Alles wordt snel afgehandeld: van een erfenis blijkt geen sprake meer te zijn: moeder zat diep in de schulden. . Een week laten ze de spullen intact dat had moeder gevraagd, omdat  ze zou terugkomen . In de slotpassage ziet de verteller zijn moeder binnenkomen: ze kijkt naar zijn aantekeningen en knikt dat het goed is. 

Recensie 1

De moeder van Adriaan van Dis, Marie, loopt tegen de honderd en woont in een rusthuis. Ze loopt steeds moeilijker en heeft een vleesboom in haar maag, die ze altijd bedekt met een kussen. Haar aftakeling gaat gepaard met het verval van haar woning. Een oude vrouw in een oude woning. Ze wil niet meer. Doorleven klinkt haar als een doodvonnis in de oren. Toch houdt ze vol. Ze wil haar verhalen nog kwijt: ‘Een dode moet licht reizen’. Ze is er nu klaar voor om na jaren zwijgen haar lange geschiedenis te vertellen: over Indië, de oorlogen die ze heeft meegemaakt en de grote verliezen die ze heeft geleden. Maar dit alles op haar manier en in haar eigen tempo.
Adriaan van Dis, die tot dan toe weinig contact met zijn moeder had, komt vanuit Parijs terug naar Nederland. Hij begint haar te bezoeken. Eerst één keer per week,  maar al gauw nemen de bezoekjes in aantal toe. Ook zijn telefoon gaat regelmatig over: zijn moeder die zich weer wat herinnert, een boodschappenlijstje voor hem heeft, of die hem opnieuw vraagt of hij geen pil voor haar kan regelen waardoor het allemaal gauw afgelopen kan zijn. Wanneer zijn moeder verder achteruit gaat, besluit Van Dis in te trekken in een gastenkamer van het rusthuis. In die tijd ziet hij haar elke dag. Samen aan het ontbijt, samen de krant lezen. En alles wat ze vertelt wordt door hem nauwkeurig opgeschreven.
Ik kom terug is een autobiografisch getinte roman. De grote lijnen komen overeen met de gebeurtenissen in het leven van Adriaans moeder en zijn familie, maar hoeveel precies waar is van wat Marie vertelt, weet je niet. Adriaan zelf weet ook niet hoeveel hij moet geloven van de verhalen van zijn moeder. Dat is ook niet belangrijk. In het boek gaat het om hun verhouding. Uit het verhaal komt een pijnlijke zoektocht naar boven van een zoon die, nog steeds, op zoek is naar de waardering en liefde van zijn moeder. Haar ervaringen en belevenissen hebben haar hard gemaakt. Ze schrikt terug voor een aanraking en wil het niet over persoonlijke gebeurtenissen hebben. Al helemaal niet over haar tijd in het Jappenkamp. Maar nu haar einde voelbaar dichterbij komt, begint ze te praten. Duidelijk wordt dat ze geen warme moeder voor Adriaan is geweest.
Toch komen er ook verhalen boven waaruit duidelijk wordt dat ze wel een leuke vrouw kon zijn. Met behulp van zijn psychologe (her)ontdekt Adriaan van Dis de leuke kanten van zijn moeder en de grappige verhalen die ermee gepaard gaan. Ondanks het zware onderwerp, is Ik kom terug vanaf het begin humoristisch. Adriaan van Dis schrijft alles op: telefoongesprekken, brieven en de monologen die zijn moeder houdt. Losse herinneringen. Fragmenten uit een bewogen leven. De voorgeschiedenis van de verhalen die ze vertelt is nog onbekend, maar wordt duidelijker naarmate het boek vordert.
Adriaan van Dis debuteerde in 1983 met Nathan Sid, waarvoor hij in 1984 het Gouden Ezelsoor ontving. In dit boek komen zijn familie en zijn Indische jeugd ook aan bod. Het is duidelijk dat zijn hele familie getekend is door de oorlog. Zijn vader, getraumatiseerd door de oorlog, slaat Adriaan regelmatig. Zijn moeder kijkt op deze momenten de andere kant op. In zijn andere boeken krijgt zijn vader vaak een grote rol toebedeeld, maar in dit boek is de hoofdrol weggelegd voor Marie.
Ook al vormt de familiegeschiedenis vaak de basis voor zijn boeken, toch vraagt Adriaan van Dis zich in het boek meerdere malen af of hij er goed aan doet om alles op te schrijven. ‘Waarom gunde ik haar niet haar geheimen?’ Hij wil doorvragen, gevoelige onderwerpen aansnijden, maar hij wil haar ook niet kwetsen. Samen stellen ze een contract op: hij zijn verhaal en zij een pil.
Het is een heel mooi boek geworden. Bij vlagen ontroerend, humoristisch, soms zelfs een beetje plat en dan weer hoogdravend. Terwijl je door het leven van de moeder bladert, begin je de hardheid en afstandelijkheid steeds beter te begrijpen doordat duidelijk wordt waar ze vandaan komt en wat ze heeft doorgemaakt. Het ene moment voel je sympathie voor deze vrouw en het andere moment snap je compleet de frustratie van haar zoon. Een leven mooi verwoord.
Recensie 2
Schrijvers mogen hun moeders wel dankbaar zijn… ze blijken een goudmijn. Deze week bestormde Maarten ’t Hart de literaire hitlijst met het boek over zijn moeder: Magdalena. Arnon Grunberg is bezig met een boek over zijn onlangs overleden moeder, en Adriaan van Dis’ Ik kom terug staat voor de 17e week in die CPNB-top zestig, nog steeds op 12.
Zowel Van ’t Hart als Van Dis moesten wachten met schrijven tot hun moeders gestorven waren. En die hebben daar de tijd voor genomen, voor dat sterven. Zoon Maarten is al 70 en Adriaan wordt het volgend jaar. Bejaarde kinderen. ’t Hart noemt het gewoon non-fictie, maar Van Dis zet er ‘roman’ op, al lijkt de ‘romanschrijver’ verdacht veel op de auteur. Een kniesoor…
Een liefdevolle moeder hadden ze bepaald geen van beiden. Maarten mocht van zijn moeder zijn tanden niet eens poetsen en Van Dis vindt zichzelf  “een volwassen man die nog steeds hunkert naar de aanraking van een moeder die hem nooit op schoot nam.” Maar ja, het blijft je moeder hè, hoe boosaardig ook.
Ik kom terug begint met een fysieke worsteling tussen moeder en zoon. De kist waarin hij allerlei geheimen van zijn moeders leven vermoedt, tussen hen in. Hij heeft eindelijk de sleutel te pakken gekregen, maar zodra zij er achter komt dat hij bezig is het slot open te wrikken, stort ze zich krijsend en huilend op hem. De kist (die staat voor haar verleden) blijft dicht.
Langzaam maar zeker lukt het hem om haar haar levensverhaal te ontfutselen. Daarbij sluit hij een deal: hij het verhaal, zij een pil waarmee ze rustig in kan slapen. Ook al is die moeder een kreng, je begint wel meer van haar te begrijpen.
Hoe ze in de jaren dertig viel voor een Indische officier, en dus ‘over de kleurlijn’ trouwde, en hoe ze vaak in haar eentje zat, als haar man op expeditie was en minnaars had, hoe ze het kamp overleefde met haar dochters en, nadat haar man was vermoord, met een nieuwe terugkeerde naar Nederland, de vader van Adriaan. Hoe ze daar langzaam een excentrieke dame werd die tafels liet zweven en haar zoon inwijdde in esoterische toestanden. Met veel humor noteert Van Dis het allemaal, hoe schrijnend het ook is.
Hij gaat zelfs met haar op pad, naar haar geboortehuis in de polder, daar krijgt ze ruzie met een andere bejaarde: de pachtersdochter Cor die nog allerlei oude verwijten bewaard heeft. Want wáár waren de landeigenaren toen de dijken doorbraken in 1953? ‘Waar bleef meneer je vader na de vloed? En jij? Jullie zaten op het droge deel’. Het levert een mooi tafereel op, een tweepersoons klassenstrijd voor negentigjarige dames.
Hij spaart zijn moeder niet, en beschrijft haar in haar totale gekte en aftakeling. Ze mocht dan wel ingegroeide teennagels hebben, alleen de beste amandelkrullen kunnen haar goedkeuring wegdragen, en zoon koopt ze nog ook.
De kracht van dit boek zit hem in de beschrijving van dat moeizame contact, dat toch ontstaat. Dat is ontroerend.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten